DE WINTER VAN DRIEËNZESTIG
Het was de winter waarin
bakker “Ha die mannen” naast zijn bakfiets in de sneeuw stond te pissen en
vijftig meter verder opgelucht zijn twee wit en een half bruin weer aan de man
bracht. De winter ook waarin een oude mandenmaker blauw van de kou bij ons
aanklopte, boterhammen mee at en met bevende handen een mattenklopper in elkaar
flanste waar een dag later na twee meppen niets meer mee te beginnen was. Het
was de winter van de schoolradio en het nieuws dat Reinier Paping voorbij
Franeker zijn voorsprong had uitgebreid en naar later bleek door niemand meer
was te achterhalen. De winter van drieënzestig was de winter van de
Elfstedentocht, de stuifsneeuw en de oostenwind, de winter van “ijsvrij,
ijsvrij anders staken wij”. Zes weken lang stonden we op de schaats, of er half
naast zoals Dijkloper. Zelfs pa bond op een dag de ijzers onder en trok enige
baantjes op de Vlet. We kunnen dat niet met één zin afdoen, pa sportte nooit en
wat moesten we ervan denken. Hij had een mooie slag maar die hoed, die sigaar
in zijn mond en die lange jas….. Hij schaatste alsof hij op weg was naar de
hoogmis.
Naar school liepen we veelal via het ijs. Aan het eind van de Woerdlaan staken we de Oude Rijn over, waar in die dagen ook druk op werd geschaatst. We konden zodoende een mooi stuk afsnijden en tijd goedmaken die we elders hadden verdaan en natuurlijk waren er De Heuvels, was er de Put van Kraal, waar we bijna dagelijks op het ijs stonden. We schaatsten wedstrijden tegen het horloge en speelden ijshockey op onze manier met stukken aan elkaar getimmerd hout en ijsbrokken en rubber balletjes als puck. Wim Achterberg had, toen alles er op wees dat de winter wel eens lang aan zou kunnen houden de banen tussentijds onder water gezet en zo voor ijsvloeren gezorgd die niet onderdeden voor die van de kunstijsbaan in Amsterdam. Vijftig winters geleden is het inmiddels, vijftig keer kerstmis en oud en nieuw waarvan er maar drie winters streng genoeg waren voor nog een Elfstedentocht. Op de Put van Kraal waren we Henk van der Grift en Viktor Kositsjkin, kersverse kampioenen hardrijden op de schaats. Hamar en Alma Ata waren namen die tot de verbeelding spraken, verre oorden waar het nóg kouder was en waar Jevgeny Grishin als enige de 500 meter onder de veertig seconden afraffelde. De winter van drieënzestig, de winter van Paping, Uitham en Jeen van den Berg, de winter waarvan je zelfs als gemankeerd schaatsenrijder wel móést houden en waarvan je dacht dat die nooit zou eindigen.
Naar school liepen we veelal via het ijs. Aan het eind van de Woerdlaan staken we de Oude Rijn over, waar in die dagen ook druk op werd geschaatst. We konden zodoende een mooi stuk afsnijden en tijd goedmaken die we elders hadden verdaan en natuurlijk waren er De Heuvels, was er de Put van Kraal, waar we bijna dagelijks op het ijs stonden. We schaatsten wedstrijden tegen het horloge en speelden ijshockey op onze manier met stukken aan elkaar getimmerd hout en ijsbrokken en rubber balletjes als puck. Wim Achterberg had, toen alles er op wees dat de winter wel eens lang aan zou kunnen houden de banen tussentijds onder water gezet en zo voor ijsvloeren gezorgd die niet onderdeden voor die van de kunstijsbaan in Amsterdam. Vijftig winters geleden is het inmiddels, vijftig keer kerstmis en oud en nieuw waarvan er maar drie winters streng genoeg waren voor nog een Elfstedentocht. Op de Put van Kraal waren we Henk van der Grift en Viktor Kositsjkin, kersverse kampioenen hardrijden op de schaats. Hamar en Alma Ata waren namen die tot de verbeelding spraken, verre oorden waar het nóg kouder was en waar Jevgeny Grishin als enige de 500 meter onder de veertig seconden afraffelde. De winter van drieënzestig, de winter van Paping, Uitham en Jeen van den Berg, de winter waarvan je zelfs als gemankeerd schaatsenrijder wel móést houden en waarvan je dacht dat die nooit zou eindigen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten