dinsdag 20 november 2012


HOE WIJ AAN ONZE GEUZENNAAM KWAMEN

Wanneer we bij elkaar zijn - familie, vrienden, (oud) buurtgenoten - praten we naast alles wat ons nú bezighoudt ook over vroeger. Er is nu eenmaal geen heden zonder verleden. We kennen intussen de onverbiddelijke natuurwet, maar wat zouden we al die mensen die al vertrokken zijn naar de eeuwige jachtvelden weer graag terug willen zien. Ook buurman Koot, en zou hij zich dan die middag in de zomer nog herinneren? We hadden een gevaarlijk kunstje uitgehaald en dat moet hem lang dwars hebben gezeten…..De Dijk was ons terrein, zo moeten we dat zien, ons voetbalveld, onze Linnaeushof, onze eigen Efteling met onze eigen attracties. De Dijk was van ons en het verkeer een spelbreker. Of het nu de firma Goes was met een vracht appels achter de tractor waarvoor wij ruim baan moesten maken of Willem van Dam met een zak met veevoer op zijn fiets, het kwam ons nooit gelegen onze activiteiten te moeten onderbreken. Ook niet toen we buurman Koot, de klompenboer, met zijn motorbakfiets zagen naderen. Sommige dingen gebeuren spontaan en we wisten dat meneer Koot snel driftig kon worden en waarschijnlijk juist dáárom kwam het bij ons op om vlak voor zijn pruttelend karretje nog eens over te steken.Toen was de boot aan. Hij foeterde ons uit en vloekte alle duivels uit de hel, we zouden er nog van horen. Wacht maar! Het voorval zou nog een staartje krijgen.
Nacht was het, midzomernacht. Zonder droom. Ik was nog wakker, mijn broers sliepen en droomden misschien wél. Ook in de andere slaapkamer was het rustig. Een enkele auto die ons huisje passeerde verbrak de stilte, ergens blafte een hond. Allemaal vertrouwd. Stilte weer, en maar niet kunnen slapen….. “De slaap der rechtvaardigen” had ik pa wel eens horen zeggen. Waren alle slapers rechtvaardig? En hoe stond het dan met mij? Zo lag ik te piekeren en toen…..het geluid van klompen op de Dijk…….Het was nog ver weg maar het kwam dichterbij.Wie kon dat zijn op dat uur? Ik kroop naar het voeteneind. Op die plek, bij de tenen van Theo, kon ik door het raam kijken. Daar was ie, onder de lantaarn. Meneer Koot! We zouden nog van hem horen had hij ons toegeroepen. Buurman Koot liep mank, er was iets met zijn heup. Zijn cadans leverde een mooi geluidseffect op. Een duidelijk hoorbare klank, afgewisseld met een antwoord van verder weg, bijna een weerklank. Langzaam kwam hij naderbij. Ik probeerde geen enkele beweging te maken, hij mocht me niet zien. Eenmaal bij ons huis aangekomen moet op dat moment hem het voorval van die middag te binnen zijn geschoten. Uit de diepste diepte maar aangepast aan de stilte van de nacht kwam het over zijn lippen; “D I J K L O P E R S”.                

Geen opmerkingen:

Een reactie posten