Mensenkinderennogaantoe
OVER MENSEN DIE IK OOIT HEB ONTMOET
Tilly
Ze was de mooiste van het land en ik vroeg haar mee uit - we zouden naar de film gaan en daarna wel zien - maar ze had al een vriendje en toen ik het later nog eens vroeg en daarna nóg eens (!) had ze nog altijd geen afscheid genomen van dat vriendje.
Het was in de tijd dat er nog water in de Singel stond en het nog goed ging met het warenhuis.
Het winkelhart van Nederland lag toen aan de Lange Viestraat waar je om de hoek naast de personeelsingang de Judoka Bar had. Daar bij Frans, de oud - judokampioen, spoelde ik mijn teleurstelling weg. Maar komaan, ik moest mijn zegeningen tellen. Bij haar aan tafel zitten tijdens de middagpauze was weliswaar een troostprijs maar ik had daarmee toch een plaatsje op het erepodium. Nooit echter was ik met haar alleen. Ze had altijd gezelschap en overal bewonderaars, binnen en buiten het warenhuis waarschijnlijk. Van stille aanbidders tot luidruchtige lomperiken. Er waren schurkjes onder mijn collega’s die plat onder aan de roltrap op de vloer gingen liggen als Tilly onderweg naar boven was. Daar moest ze dan om lachen omdat ze wist dat die escapades met de hoop op een mooi uitzicht door haar degelijke bedrijfskleding gedoemd waren te mislukken.
Hoe zou het met haar zijn, vraag ik me soms af. Zou ze dat vriendje nog hebben? Zouden er kinderen zijn? Één ding is zeker en dat is even schokkend als doodnormaal: Tilly is niet meer de Tilly van toen.
OVER MENSEN DIE IK OOIT HEB ONTMOET
Tilly
Ze was de mooiste van het land en ik vroeg haar mee uit - we zouden naar de film gaan en daarna wel zien - maar ze had al een vriendje en toen ik het later nog eens vroeg en daarna nóg eens (!) had ze nog altijd geen afscheid genomen van dat vriendje.
Het was in de tijd dat er nog water in de Singel stond en het nog goed ging met het warenhuis.
Het winkelhart van Nederland lag toen aan de Lange Viestraat waar je om de hoek naast de personeelsingang de Judoka Bar had. Daar bij Frans, de oud - judokampioen, spoelde ik mijn teleurstelling weg. Maar komaan, ik moest mijn zegeningen tellen. Bij haar aan tafel zitten tijdens de middagpauze was weliswaar een troostprijs maar ik had daarmee toch een plaatsje op het erepodium. Nooit echter was ik met haar alleen. Ze had altijd gezelschap en overal bewonderaars, binnen en buiten het warenhuis waarschijnlijk. Van stille aanbidders tot luidruchtige lomperiken. Er waren schurkjes onder mijn collega’s die plat onder aan de roltrap op de vloer gingen liggen als Tilly onderweg naar boven was. Daar moest ze dan om lachen omdat ze wist dat die escapades met de hoop op een mooi uitzicht door haar degelijke bedrijfskleding gedoemd waren te mislukken.
Hoe zou het met haar zijn, vraag ik me soms af. Zou ze dat vriendje nog hebben? Zouden er kinderen zijn? Één ding is zeker en dat is even schokkend als doodnormaal: Tilly is niet meer de Tilly van toen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten