Mensenkinderennogaantoe
OVER MENSEN DIE IK OOIT HEB
ONTMOET
Meneer De Wit
Wat scheelde hem, wat schortte eraan bij meneer De Wit, wat was de zin
van het leven voor hem, vroeg ik mij zelfs af. We hadden het eerste uur
handtekenen van hem maar hij was zo’n beetje de enige die daarmee daadwerkelijk
bezig was. Potloden en gummetjes vlogen hem daarbij om de oren maar tekenen is
tekenen moet hij hebben gedacht. Hij had zichzelf aan het werk gezet in de hoop
wellicht dat zijn goede voorbeeld goed zou doen volgen. Die hoop bleek veelal
ijdel, voor tekenen had hij beslist aanleg maar lesgeven en orde houden kon hij
niet. De vaktheorie in het tweede uur verliep doorgaans nog chaotischer.
Tijdens zijn verhandelingen over vette en magere alkydhars en de aanpak van verflagen
in twijfelachtige conditie waren de ogen van een aantal van ons gericht op het
volmaakte naturel van Loren en Bardot. Andere jongens aten een puddingbroodje
en meneer De Wit liet alles maar toe en op de spaarzame momenten waarop niemand
ook maar een woord sprak, verzocht hij ons ‘nu eens even rustig’ te zijn. Wat
moest hij in het onderwijs? Hoe was hij tot de stap gekomen leraar te worden,
wat voor een leven had hij naast zijn getob met pubers als wij. Hád hij een
leven? Een passie? Deed hij wel eens gek?
Ging hij ’s avonds naar de kroeg of zat hij tevreden of niet bij vrouw
en kinderen met poes op schoot en pantoffels aan de voeten over zijn
postzegelverzameling gebogen?
Na mijn ontmoetingen met meneer De Wit drong het langzaam tot me door dat er op
deze aardkloot meer vragen dan antwoorden zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten