woensdag 29 april 2015

Mensenkinderennogaantoe
OVER MENSEN DIE IK OOIT HEB ONTMOET

Meneer De Wit

Wat scheelde hem, wat schortte eraan bij meneer De Wit, wat was de zin van het leven voor hem, vroeg ik mij zelfs af. We hadden het eerste uur handtekenen van hem maar hij was zo’n beetje de enige die daarmee daadwerkelijk bezig was. Potloden en gummetjes vlogen hem daarbij om de oren maar tekenen is tekenen moet hij hebben gedacht. Hij had zichzelf aan het werk gezet in de hoop wellicht dat zijn goede voorbeeld goed zou doen volgen. Die hoop bleek veelal ijdel, voor tekenen had hij beslist aanleg maar lesgeven en orde houden kon hij niet. De vaktheorie in het tweede uur verliep doorgaans nog chaotischer. Tijdens zijn verhandelingen over vette en magere alkydhars en de aanpak van verflagen in twijfelachtige conditie waren de ogen van een aantal van ons gericht op het volmaakte naturel van Loren en Bardot. Andere jongens aten een puddingbroodje en meneer De Wit liet alles maar toe en op de spaarzame momenten waarop niemand ook maar een woord sprak, verzocht hij ons ‘nu eens even rustig’ te zijn. Wat moest hij in het onderwijs? Hoe was hij tot de stap gekomen leraar te worden, wat voor een leven had hij naast zijn getob met pubers als wij. Hád hij een leven? Een passie? Deed hij wel eens gek?  Ging hij ’s avonds naar de kroeg of zat hij tevreden of niet bij vrouw en kinderen met poes op schoot en pantoffels aan de voeten over zijn postzegelverzameling gebogen?
Na mijn ontmoetingen met meneer De Wit drong het langzaam tot me door dat er op deze aardkloot meer vragen dan antwoorden zijn.   

Geen opmerkingen:

Een reactie posten